Taalfilosofie
Inhoud |
Vakbeschrijving
http://www.kuleuven.be/onderwijs/aanbod/syllabi/W0AB6AN.htm
Studiemateriaal
Boekje van prof. Buekens. (Weliswaar geen definitief handboek.)
Opinies
"Alleszins een verstaanbaar, helder gebracht vak."
Examenvragen
Examenvragen 2009-2010
- Semantiek
- Leg uit en argumenteer: de (letterlijke) betekenis van een zin kun je vastleggen met behulp van de voorwaarde waaronder die zin waar is.
- Leg uit en beargumenteer: de semantische waarde van een woord is wat dat woord bijdraagt tot de voorwaarde waaronder de zin (waarin het voorkomt), waar is.
- Welke argumenten geeft Frege voor zijn stelling dat niet de betekenis van een woord maar de betekenis van een zin het uitgangspunt moet zijn in een theorie over de semantiek?
- Leg het verband tussen de functie van taal en opvattingen over semantiek.
- Wat is er mis met Locke’s opvatting van betekenis ?
- Frege’s opvattingen over semantiek
- Leg uit en beargumenteer: de Betekenis (Sinn) van een naam determineert de referentie van die naam. Welke moeilijkheden zag Frege in de theorie dat de semantische waarde van een naam met zijn referentie samenvalt? Welke oplossing stelde hij voor?
- Leg uit en beargumenteer hoe je twee opvattingen van de Fregeaanse Betekenis en zijn relatie tot de referentie kan hebben: betekenis als referentie-determinerend, en betekenis als wijze waarop een object gegeven is. Waarom is dit onderscheid nuttig?
- Wat zijn intensionele contexten en welke rol spelen ze in Frege’s opvattingen van de semantiek?
- Leg Frege’s principe uit dat ‘een woord enkel in de context van een zin betekenis heeft’.
- Leg uit hoe Frege vanuit een analyse van de betekenis van identiteitsuitspraken ertoe komt om Betekenissen aan eigennamen toe te kennen.
- Bespreek en beargumenteer hoe Frege het probleem van fictionele namen in zijn semantiek integreert. Wat vind je zelf van die oplossing ?
- Waarom is identiteit volgens Frege géén relatie tussen de semantische waarde van namen?
- Waarom is identiteit volgens Frege geen relatie tussen namen?
- Leg uit hoe Descriptivisme volgens Frege een oplossing biedt voor spreken over fictionele entiteiten
- Wat is Leibniz’ principe van de niet-onderscheidbaarheid van identiteit?
- Bespreek Frege’s notie van functie in zijn betekenistheorie..
- ‘Een zin is geen loutere opsomming van woorden’: verklaar. Wat zegt Frege hierover?
- Bespreek Frege’s opvatting van de existentiële quantor en verklaar waarom dit geen eerste-orde concept is.
- Kripke, namen en modale intuïties
- Bespreek en beargumenteer de modale argumenten van Kripke tegen Frege’s theorie over de betekenis van eigennamen.
- Bespreek en beargumenteer hoe Kripke de concepten noodzakelijkheid/a priori/analyticteit uit elkaar houdt. Geef een argument voor (en voorbeeld van) het bestaan van contingente a priori uitspraken.
- Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen wat we ons kunnen voorstellen dat het geval is, en wat mogelijk het geval is. Waarom is dit onderscheid relevant voor Kripke? Illustreer je antwoord met voorbeelden.
- Geef een overzichtelijke uiteenzetting van wat Kripke met mogelijke wereld bedoelt, hoe dit concept onze modale intuïties helpt articuleren en hoe het gebruikt kan worden om sommige emoties preciezer te beschrijven.
- Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen de volgende vragen: (i) Wie is Nietzsche? (ii) Naar wie verwijst de naam ‘Nietzsche’? en (iii) hoe komt het dat de naam ‘Nietzsche’ naar Nietzsche verwijst ?
- Construeer een schema van drie verzamelingen die intersecteren: verzameling van de noodzakelijke, de analytische en de a priori waarheden. Situeer in de juiste de deelverzamelingen van die drie verzamelingen de voorbeelden 'water is vloeibaar', 'water is H20', 'Alle vrijgezellen zijn ongehuwd', 'Laten we 'Piet' de uitvinder van de wasautomaat' noemen' en 'Alles heeft een oorzaak'.
- Geef Kripke’s argumenten voor de stelling dat Willem Elsschot noodzakelijk identiek is met Alfons de Ridder. Geef twee argumenten (die Kripke verwerpt!) voor de stelling dat deze uitspraak alsnog contingent zou zijn.
- Volgens Frege determineert de Betekenis van een naam zijn referentie. Wat determineert de referentie van een naam volgens Kripke?
- De bewering als taalhandeling
- Leg het verschil uit tussen de bewering en de propositie die beweerd wordt. Laat zien hoe dit onderscheid de basis vormt voor het semantiek/pragmatiek-onderscheid.
- Leg uit: uit de propositie die iemand uitdrukt, kun je niet afleiden welke taalhandeling hij (zij) met die propositie stelt.
- Bespreek het Frege-Geach argument. Leg uit: ook morele uitspraken hebben waarheidsvoorwaarden.
- Tijdens het college werden enkele voorstellen bespreken voor de norm van een correcte bewering. Welke waren die voorstellen? Vind je de kennisnorm voor beweringen (asserties) plausibel?
- Tijdens het college werd de kennisnorm voor beweringen verdedigd. Maar er zijn nog andere niet-epistemische normen waaraan beweringen moeten voldoen: geef enkele van die normen, en laat zien in welke context ze relevant zijn. Geef ook een voorbeeld van een ware en correcte bewering die toch moreel tekort schiet.
- Leg uit hoe de intellectuele deugden van eerlijkheid en accuraatheid (terug te vinden bij Bernard Williams, Truth and Truthfulness) betrekking hebben op beweringen.
- Leg het verband uit tussen de Paradox van Moore en de norm voor correcte beweringen.
- Algemene vraag bij Davidson : geef op een door jou zelf gekozen punt kritiek op de Wittgenstein-Davidson argumentatie (‘interne verkenning van het manifeste wereldbeeld’) die in de twee laatste colleges gepresenteerd werd. Onderbouw je kritiek met stevige argumenten, eventueel (maar niet noodzakelijk) met verwijzing naar andere filosofen die het met de opgevoerde argumentatie oneens zijn.
- Algemene vraag : communicatie
- De Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe schrijft het volgende:
‘Zijn theorie (die van Lacan, FB) staat zelfs in radicale oppositie tegenover de communicatietheorie als dusdanig, omdat Lacan ervan uitgaat dat communicatie altijd een mislukking is, en dat dit precies de reden is waarom we blijven doorgaan met praten. Zo we elkaar zouden begrijpen, dan zouden we zwijgen en de perfecte communio zou plaatsgrijpen in een passende stilte met de handen voor de gesloten ogen.’1
Wat zou je vanuit Frege op deze stelling kunnen inbrengen? Wat zou je vanuit Davidson tegen deze radicale opvatting kunnen inbrengen? En vanuit Wittgenstein?
- Verdere vragen over Davidson / Radicale interpretatie (je mag de tekst gebruiken)
- Vind je het juist de skeptische optie meteen opzij te schuiven? Geef een argument voor je opvatting. (Je hoeft mijn opvattingen niet te volgen!)
- Leg uit: begrijpen is nooit een doel op zich. Wat zou Frege hierover zeggen?
- Davidson vs. Kripke ? Kripke stelde dat we zelfs naar Aristoteles kunnen verwijzen wanneer veel van wat we denken over Aristoteles verkeerd zou zijn. Wat zou Davidson daarop antwoorden?
- Vind je het relevant van de assumptie uit te gaan dat communicatie meestal slaagt?
- Wat denk je van feiten? Wat bedoelt iemand als hij zegt: dat is geen vermoeden, maar een feit?
- Leg radicale interpretatie uit als een coördinatie-oefening. Ben je het met dat beeld eens?
- Ben je het eens met de stelling dat radicale interpretatie een goed uitgangspunt is om taal te bestuderen?
- Wittgenstein
- Leg uit: je kan betekenis analyseren, maar ook kijken naar de functie van woorden.
- Vergelijk Frege’s opvatting van Betekenis met die van Wittgenstein.
- Waarom is de spel-analogie die men soms hanteert in taalfilosofie zo misleidend?
- Leg uit: Meaning is use.
- Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over poëtisch en metaforisch taalgebruik?
- Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over fictie (romans bv.)?
- Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over het onderscheid tussen gewone communicatie en wetenschappelijk taalgebruik?
Examenvragen (2008-2009)
- De betekenis van betekenis
- Bespreek het onderscheid tussen en geef een argument voor het onderscheid tussen semantische en presentationele betekenis. Met welk type betekenis opereert de logica?
- Welk argument toont dit aan?
- Geef de verschillende betekenissen van het woord ‘betekenis’ en geef argumenten voor het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke betekenis. Van wie is dit onderscheid? Pas het toe met voorbeelden. Werk dit onderscheid uit voor verschillende correlatieve vormen van begrijpen.
- Het onderscheid tussen semantische en presentationele betekenis is van belang voor de semantiek. Laat zien wat je niet begrijpt wanneer je de presentationele betekenis van een zin niet begrijpt. Kun je de presentationele betekenis van een zin begrijpen zonder zijn semantische betekenis te begrijpen? Hoe zou je dit onderscheid kunnen toepassen op woorden (i.p.v. zinnen) ?
- Leg uit en argumenteer: de (letterlijke) betekenis van een zin kun je vastleggen met behulp van de voorwaarde waaronder die zin waar is.
- Leg uit en beargumenteer: de semantische waarde van een woord is wat dat woord bijdraagt tot de voorwaarde waaronder de zin (waarin het voorkomt), waar is.
- Leg uit en beargumenteer: de voorwaarde waaronder een zin waar is, valt niet samen met de presentationele betekenis van die zin.
- Welke argumenten geeft Frege voor zijn stelling dat niet de betekenis van een woord maar de betekenis van een zin het uitgangspunt moet zijn in een theorie over de semantiek?
- Frege’s opvattingen over semantiek
- Leg uit en beargumenteer: de Betekenis (Sinn) van een naam determineert de referentie van die naam. Welke moeilijkheden zag Frege in de theorie dat de semantische waarde van een naam met zijn referentie samenvalt? Welke oplossing stelde hij voor?
- Leg uit en beargumenteer hoe je twee opvattingen van de Fregeaanse Betekenis en zijn relatie tot de referentie kan hebben: betekenis als referentie-determinerend, en betekenis als wijze waarop een object gegeven is. Waarom is dit onderscheid nuttig?
- Wat zijn intensionele contexten en welke rol spelen ze in Frege’s opvattingen van de semantiek?
- Leg Frege’s principe uit dat ‘een woord enkel in de context van een zin betekenis heeft’.
- Leg uit hoe Frege vanuit een analyse van de betekenis van identiteitsuitspraken ertoe komt
om Betekenissen aan eigennamen toe te kennen.
- Bespreek en beargumenteer hoe Frege het probleem van fictionele namen in zijn semantiek integreert. Wat vind je zelf van die oplossing ?
- Vraag uit gastcollege Wittgenstein (Leilich): leg de picture theory of meaning uit. Welke kritiek zou je op die theorie kunnen formuleren?
- Waarom is identiteit volgens Frege géén relatie tussen de semantische waarde van namen?
- Leg uit hoe Descriptivisme volgens Frege een oplossing biedt voor spreken over fictionele entiteiten.
- Kripke, namen en modale intuïties (Opgelet: Studenten Filosofie krijgen zeker één vraag uit dit deel van de leerstof !)
- Bespreek en beargumenteer de modale argumenten van Kripke tegen Frege’s theorie over de betekenis van eigennamen.
- Bespreek en beargumenteer hoe Kripke de concepten noodzakelijkheid/a priori/analyticteit uit elkaar houdt. Geef een argument voor het bestaan van contingente a priori uitspraken.
- Vraag enkel voor filosofiestudenten: Hilary Putnam heeft Kripke’s theorie over eigennamen toegepast op natuurlijke soortnamen. Vergelijk hun argumentaties. Met soortnamen correleren stereotypische kenmerken. Welke plaats zouden stereotypische kenmerken van personen hebben in Kripke’s theorie? (Zie Het Teken en de Wereld)
- Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen wat we ons kunnen voorstellen dat het geval is, en wat mogelijk het geval is. Waarom is dit onderscheid relevant voor Kripke? Illustreer je antwoord met voorbeelden.
- Geef een overzichtelijke uiteenzetting van wat Kripke met mogelijke wereld bedoelt, hoe dit concept onze modale intuïties helpt articuleren en hoe het gebruikt kan worden om sommige emoties preciezer te beschrijven.
- Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen de volgende vragen: (i) Wie is Nietzsche? (ii) Naar wie verwijst de naam ‘Nietzsche’? en (iii) hoe komt het dat de naam ‘Nietzsche’ naar Nietzsche verwijst.
- Vraag enkel voor filosofiestudenten: Construeer een schema van drie verzamelingen die intersecteren: verzameling van de noodzakelijke, de analytische en de a priori waarheden. Situeer in de juiste de deelverzamelingen van die drie verzamelingen de voorbeelden 'water is vloeibaar', 'water is H20', 'Alle vrijgezellen zijn ongehuwd', 'Laten we 'Piet' de uitvinder van de wasautomaat' noemen' en 'Alles heeft een oorzaak'.
- Geef Kripke’s argumenten voor de stelling dat Willem Elsschot noodzakelijk identiek is met Alfons de Ridder. Geef twee argumenten (die Kripke verwerpt!) voor de stelling dat deze uitspraak alsnog contingent zou zijn.
- Hoe komen namen aan hun semantische waarde volgens Kripke?
- De bewering als taalhandeling (OPGELET: studenten communicatiewetenschappen krijgen zeker een vraag uit dit deel van de leerstof !)
- Leg het verschil uit tussen de bewering en de propositie die beweerd wordt. Laat zien hoe dit onderscheid de basis vormt voor het semantiek/pragmatiek-onderscheid.
- Leg uit: uit de propositie die iemand uitdrukt, kun je niet afleiden welke taalhandeling hij (zij) met die propositie stelt.
- Bespreek het Frege-Geach argument.
- Tijdens het college werden enkele voorstellen bespreken voor de norm van een correcte bewering. Welke waren die voorstellen? Vind je de kennisnorm voor beweringen (asserties) plausibel?
- Tijdens het college werd de kennisnorm voor beweringen verdedigd. Maar er zijn nog andere normen waaraan beweringen moeten voldoen: geef enkele van die normen, en laat zien waarom ze bv. epistemologisch of ethisch relevant zijn. Geef ook een voorbeeld van een ware en correcte bewering die toch ethisch tekort schiet.
- Leg uit hoe de intellectuele deugden van eerlijkheid en accuraatheid (terug te vinden bij Bernard Williams, Truth and Truthfulness) betrekking hebben op beweringen.
- Leg het verband uit tussen de Paradox van Moore en de norm voor correcte beweringen.
- Pragmatiek: Grice over implicaturen (OPGELET: studenten letteren krijgen zeker een vraag uit dit deel van de leerstof!)
- Leg het coöperatieprincipe van Grice uit en verbindt het met de maximes van Grice. Geef kort de speltheoretische achtergrond van het coöperatieprincipe.
- Bespreek het Maxim of Quality en leg een verband met het Principle of Charity vanDonald Davidson. (Zie ook vragen in sectie VI).
- Geef een eigen voorbeeld van een toepassing van de Maxim of Quality en de Maxim of Quantity.
- Leg het onderscheid uit tussen wat de spreker zegt en wat iemand impliceert (door iets te zeggen).
- Leg uit: iets impliceren is een intentionele handeling en een communicatieve handeling. Waarin onderscheiden zich communicatieve handelingen van gewone, intentionele handelingen?
- Welke testen stelt Grice voor om Implicaturen (geïmpliceerde inhoud) te identificeren?
- Wat zegt Grice over de materiële implicatie, en wat we met ‘als… dan’ zinnen kunnen impliceren? (Géén vraag voor communicatiewetenschappers!)
- Denkvraag voor iedereen: wanneer je een uiting evalueert op haar waarheidswaarde, hou je dan rekening met de implicaturen? Waarom wel? Waarom niet?
- De Taalfilosofische van Donald Davidson (Leerstof voor iederen, tenzij aangeduid !)
- Vraag voor Filosofen, niet voor anderen: wat hebben John Rawls, Hilary Putnam en Donald Davidson gemeen? Vertel een coherent verhaal over de argumentatieve waarde van gedachtenexperimenten (open vraag – elk creatief antwoord wordt geapprecieerd !)
- Bespreek Davidsons uitgangspunt in de semantiek: ‘We leren iets over betekenis door te kijken naar de wijze waarop we betekenis achterhalen.’
- Bespreek de analogie tussen het wegen van objecten en het interpreteren van personen. Wat is conventioneel en wat is constitutief aan meten?
- Bespreek Davidson’s stelling dat het begrijpen van een bewering veronderstelt dat je de betekenis van de gebruikte zin kent én weet wat die persoon gelooft.
- Wat zijn constitutieve principes? Hoe functioneren ze? Geef voorbeelden. Welke functie hebben ze bij Davidson?
- Leg uit; ‘Radicale interpretatie is iets wat we voortdurend doen’. Geef voorbeelden. Wat leren we hieruit ?
- Leg uit: Griceaanse principes kun je als constitutieve principes voor interpretatie opvatten. Bespreek de band tussen Grice en Davidson.
- Welke status heeft de stelling dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in de filosofie van Davidson? Welke kritiek zou je daartegen invoeren? (Open vraag – elk creatief antwoord is welkom.)
- Bespreek het onderscheid tussen objecttaal en metataal, en waarom / hoe dit voor Davidson belangrijk is in zijn gedachtenexperiment.
- Bespreek de rol van het constitutieve principe dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in Davidsons argument tegen relativisme.
- Bespreek de rol van het constitutieve principe dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in Davidsons argument tegen metafysisch realisme.
- Geef enkele voorbeelden van contructivistische en relativistische opvattingen in de filosofie (Putnam, Hacking, …).
- Leg uit: wanneer X een intentie heeft, die niet realiseerbaar is, dan is die intentie irrationeel.
- Bespreek globaal de strategie van Davidson om relativisme en metafysisch realisme te weerleggen.
- Denkvraag (enkel voor Filosofie-studenten): de stelling van Davidson dat de meeste van onze opvattingen waar zijn, heeft ook veel kritiek gekregen (‘alle wetenschappelijke theorieën bleken onwaar, we hadden ooit veel onware overtuigingen over de wereld (denk aan hekserij, psychische stoornissen, …). Wat denk je hiervan? (Elke goed onderbouwde eigen mening wordt geapprecieerd). (Zie ook vraag hierboven.)
- Bespreek de verschillende aspecten van de analogie tussen het meten van eigenschappen van objecten en het interpreteren van personen.
- Vraag gastcollege Wittgenstein: bespreek kort de picture theory of meaning van Wittgenstein. Illustreer met voorbeelden. Wat zei de latere Wittgenstein over die theorie?
- Namen als functies van werelden naar objecten in een wereld
- Negen is noodzakelijk groter dan zeven
- Niet-natuurlijke betekenis en Natuurlijke betekenis
- Lijst van namen, technische begrippen en termen die je kort moet kunnen uitleggen of waarover je iets moet kunnen zeggen dat relevant is voor dit vak. Doe (bij twijfel) wat eigen opzoekingswerk !
- ‘Willem Elsschot is Alfons de Ridder’
- Actualisme vs. possibilisme over mogelijke werelden
- Anti-psychologisme bij Frege
- Boghossian vs. Putnam over ‘hoeveel objecten er bestaan’
- Colouring bij Frege
- Beledigende woorden
- Betekenis determineert referentie
- Communicatie als kennistransmissie
- Compositionaliteitsprincipe
- Constitutief principe
- Conventionele implicatuur
- Context-principe in de semantiek (‘Enkel in de context van een zin hebben woorden betekenis…’)
- Conventionele implicatuur en de conjunctie
- Coöperatieprincipe
- De niet-elimineerbaarheid van modus ponens
- Existentieuitspraken bij Frege
- Fictionele entiteiten en Frege’s semantiek
- Frege-Geach argument tegen expressionisme
- Gedachtenexperimenten in taalfilosofie
- Hacking, Ian
- Huw Price over normen voor beweringen
- Implicaturen vs. wereldkennis
- Kennisnorm voor beweringen
- Metaforen
- Perry, John
- Presentationele betekenis
- Putnam, Hilary
- Relevantie van taalfilosofie voor meta-ethiek
- Semantiek vs. pragmatiek
- Semantische waarde (semantic value)
- Sense determines reference (twee interpretaties van …)
- Taalhandelingen en propositionele attituden
- Timothy Williamson over normen voor beweringen
- Verbeelding en modale intuïties
- Voorstelbaarheid en mogelijkheid
- Waarheidsvoorwaarde
- Waarheidswaarde
- Institutionele feiten vs. brute feiten (E. Anscombe)
- Metafysisch realisme
- Relativisme
- Proposities
Examenvragen 2006-2007
- De wolkenkrabber van Aristoteles
- Wat is volgens de sofisten "het juiste gebruik" van woorden? En voor Plato?
- Wat was het ideaal van de speculatieve grammatici?