Logica
Inhoud |
Vakbeschrijving
http://onderwijsaanbod.kuleuven.be/syllabi/n/W0AA3AN.htm
Opinies
"Leuk vak van de meest entertainende prof. Les gaat wel een beetje traag soms, maar al bij al je aanwezigheid waard. Jammer genoeg is het examen totaal idioot: het reproduceren van tig definities en stellingen is veel belangrijker dan enig inzicht..."
"Een tip voor iedereen die logica (opnieuw) moet doen: ga naar de bib (of een bib) en haal "Introduction to logic" van Copi, dit handboek is (in tegenstelling tot dat van Vergauwen) kristalhelder en legt alles uit op een eenvoudige manier met dan nog eens honderden oefeningen. Ik snap nu al 5 keer zoveel op 1 dag dan ik vorig jaar in januari én in augustus samen begreep."
Studiemateriaal
Handboek: W. De Pater & R. Vergauwen, Logica: formeel en informeel, Leuven (Universitaire Pers), 1992, 327 p.
Examenvragen
Examenvragen 2007-2008
- Wat is formaliseren en wat zijn de voordelen?
- Definitie redeneerschema en redeneervorm en vergelijk
- Wat is waarheidsfunctionaliteit en toon aan met een voorbeeld waarom de tijdslogica niet waarheidsfunctioneel is.
- Definitie logica Kant
- Definitie gemeenplaats
- Waarom zijn logische wetten tweede intenties?
- Definitie contrapositie + voorbeeld
- oef syllogistiek: is ???? geldig, construeer voorbeeld en geef eventueel geschonden regels
- oef propisitielogica (elementaire redeneervormen)
- oef predikatenlogica (elementaire redeneervormen)
- oef falsificatie
Examenvragen 2006-2007
Probeer een definitie te formuleren van 'logica' in het dagelijks taalgebruik
Examenvragen 2003-2004
1. Vergelijk de opvattingen over logica Thomas van Aquino en Gottlob Frege met mekaar.
2.
Welke soort(en) van taalgebruik vindt U in: “Groen is van doen !” (uit een verkiezingstoespraak van M. Vogels (Agalev)). Motiveer kort Uw antwoord.
3.
Vergelijk Aristoteles’ definitie van een redenering met de in het handboek voorgestelde ‘vuistregel’.
4.
Formuleer de wet van het Destructief Dilemma:
5.
Bevat volgende redenering een drogreden ? Zo ja, welke ?
“Piet heeft het recht om de inhoud van zijn audiëntie met de Koning publiek te maken, want er bestaat in België toch een recht op vrije meningsuiting”
6.
Wat is het verschil tussen ‘volledige’ en ‘beperkte’ omkering? Illustreer tevens met een voorbeeld.
7.
Verklaar het onderscheid tussen Intuïtionisme en Platonisme in hun relatie tot de Wet van het Uitgesloten Derde ?
8.
Wat is de Modus en de Figuur van volgend syllogisme? Is het geldig of niet? Zo niet, welke regel(s) werd(en) doorbroken?
“Republikeinen zijn geen Democraten, dus zijn sommige Democraten welstellende personen omdat sommige welstellende personen geen Republikeinen zijn”.
9.
Bewijs propositielogisch m.b.v Elementaire Redeneervormen:
((p → q) ^ (r → s)) ∴ ((p ^ r) → (q ^ s))
10.
Ga de geldigheid na m.b.v Waarheidsbomen van:
1. (x) (Cx → Ax) Pr. 2. ¬ (x) (Fx → Ax) Pr. 3. ¬ (x) (Fx → Cx)
11.
Waardoor wordt de Aristotelische Dialectiek gekenmerkt ?
12.
Geef schematisch weer welke Topoi Aristoteles onderscheidt.
13.
Ga na d.m.v Falsificatie of volgende formule een logische Wet is. Zo niet, geef een substitutie van waarden waaruit dit blijkt:
(((p → ¬ q) / r) ^ (q → ¬ p)) ↔ (p ^ ¬ q)